Het Limburgse Heuvelland is een veel gefotografeerd gebied, zeker onder de vele binnen- en buitenlandse vakantiegasten. Voor mij is het een gebied waar ik elke dag doorheen rijd, onderweg van en naar huis. En als ik de laatste kilometers inga, klimmend naar het plateau van Margraten, zijn de heuvels en de mooie bomen langs de weg altijd heel rustgevend en een teken dat ik bijna thuis ben, letterlijk en figuurlijk.
Het was dan ook niet zo vreemd dat ik voor landschapsfotografie naar mijn “thuisbasis” keek. Heuvelland is voor mij het gebied tussen Maastricht, Heerlen, Aken en Luik, die als uitlopers van de Ardennen en de Eiffel een welkome afwisseling zijn voor het vlakke polderlandschap van de rest van Nederland. Maar daar ligt tegelijkertijd ook een enorme valkuil. Vergezichten kun je vaak vergeten, tenzij je een van de vele heuvels beklimt. Tegelijkertijd is het Heuvelland ook een zeer gecultiveerd landschap, dus als je die heuevels opklimt, is het erg lastig om geen lantaarnpalen, huizen of andere bebouwing in je zoeker te krijgen. En iets wat voor mij persoonlijk lastig bleek, is dat ik juist moeite heb met de mooie composities (letterlijk) om de hoek te zien.
Terwijl ik steeds meer las over landschapsfotografie, waar behalve compositie ook het natuurlijke licht een belangrijke rol speelt, kwam ik erachter dat ik moeite had en heb met het bij elkaar krijgen van alle aspecten. Compositie, hoe moeilijk ook, is wel voor elkaar te krijgen, maar het juiste licht bleek eigenlijk alleen maar voor te komen als ik niet naar buiten kon met de camera.
Afgelopen zomer ben ik bewust een aantal keren ’s avonds, tegen zonsondergang, er op uit gegaan, met wisselend succes. Soms was dat erg frustrerend, maar af en toe ging het goed. De eerste twee foto’s waren puur toeval. Het weer was slecht en ik had de hoop voor een fotoshoot al opgegeven, de regen kletterde tegen de ruiten namelijk. Na enige aandrang ging ik toch overstag en gingen we onderweg. Toen we aankwamen bij Eijs, waar je mooi uitkijkt over het Geulledal, was het net droog. Net, want Buienradar gaf aan dat er slechts tien minuten zat tot de volgende bui, terwijl de zonsondergang nog slechts enkele minuten zou gaan duren. Terwijl ik als een bezetene mijn statief opstelde, voelde ik al druppels maar het bleef gelukkig toch droog. De donkere lucht, gecombineerd met het aarzelende licht van de zonsondergang, gaf veel sfeer. Zoveel sfeer dat de compositiefouten wel over het hoofd gezien worden (hoop ik).
De derde foto was een paar maanden later, toen het goede weer eindelijk wel doorbrak. Er trok bewolking binnen die als een kaarsrechte band de lucht in tweeën splitste. Daaronder trok de ondergaande zon alle registers open om een spetterend vuurwerk te geven. Ik was helemaal niet bezig met de zonsondergang die avond, totdat ik in de keuken toevallig door het glazen dak keek. Vijf minuten later reden we (te hard) over de Rijksweg naar Eijs (ja, weer dezelfde plek). Nu koos ik snel een ander standpunt en moest ik letterlijk rennen om op tijd te zijn. De mooie weerkaatsing tegen enkele eenzame laaghangende wolken had ik al gemist en het licht werd per seconde minder. Het schouwspel was niet minder spetterend, al had de camera moeite met de lichtcondities, zelfs met gebruik van een grijsverloopfilter. Van de 16 foto’s was dit de enigst echt bruikbare, maar alleen al daarvoor waard om alles voor uit mijn handen te laten vallen!
Zo zijn mijn eerste stapjes in heuvellandschap fotografie geweest. Er is nog zoveel te ontdekken, en zo weinig tijd. Dit is nog niet eens een tipje van de ijsberg qua composities en mogelijkheden. Een professionele fotograaf vertelde me eens dat een landschapsfotograaf een grote kaartenbak in zijn hoofd heeft. Als ik weer over de Rijksweg rijd, en dat gebeurt vrijwel dagelijks, zie ik om de paar seconde weer bekende en nieuwe compositiemogelijkheden. Werk genoeg dus!


Geef een reactie